Illegale bewoning van een onderverhuurde bedrijfswoning: kan de (hoofd)verhuurder als overtreder worden aangemerkt?

Knowledge

In de uitspraak van 12 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5480) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) wordt onder meer ingegaan op de vraag of de eigenaar en verhuurder van het pand (hierna: ‘de Stichting’) kan worden aangemerkt als overtreder, in het kader van opgelegde handhavingsbesluiten.  

Wat speelde er?

De Stichting is eigenaar van een bedrijfspand met bedrijfswoning in Waddinxveen. Tijdens een controle is volgens het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (hierna: ‘het college’) gebleken dat de bedrijfswoning niet werd bewoond door personen die waren verbonden aan het daar gevestigde bedrijf. Ook vormden de bewoners volgens het college niet samen één huishouden. Dit is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan en daarvoor is aan de Stichting een last onder dwangsom opgelegd. Vervolgens heeft het college besloten tot invordering van de dwangsom over te gaan, aangezien de Stichting volgens het college de last niet heeft nageleefd. Ook heeft het college besloten een nieuwe, gelijkluidende last op te leggen.

De Stichting is het niet eens met de opgelegde lasten en invordering van de dwangsom en heeft daartegen bezwaar en beroep ingesteld. Zowel het bezwaar als het beroep van de Stichting zijn ongegrond verklaard. Vervolgens is de Stichting in hoger beroep gegaan bij de Afdeling.

Hoger beroep

In hoger beroep voert de Stichting verschillende beroepsgronden aan, waaronder dat de rechtbank heeft miskend dat zij niet als overtreder van de illegale bewoning kan worden aangemerkt en dat de overtreding niet aan haar kan worden toegerekend. De Stichting stelt dat zij de ruimte heeft verhuurd en dat de huurder de bedrijfswoning in strijd met het huurcontract heeft onderverhuurd. Namens de Stichting is de bedrijfswoning vrijwel maandelijks bezocht om te controleren of deze niet werd onderverhuurd. Zij ging ervan uit dat uitsluitend de huurder zelf de ruimte bewoonde. De Stichting stelt daarmee aan haar zorgplicht te hebben voldaan.

De Afdeling gaat niet mee in het betoog van de Stichting en kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. De Afdeling overweegt daartoe dat de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aan de hand van de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap heeft beoordeeld of de Stichting als overtreder kon worden aangemerkt. Deze strafrechtelijke criteria komen kort samengevat erop neer dat een overtreding aan een functioneel dader kan worden toegerekend als deze erover kon beschikken of de overtreding plaatsvindt en daarnaast de gedraging heeft aanvaard.

Over de beoordeling van de rechtbank van de criteria voor functioneel daderschap overweegt de Afdeling:

Volgens de Afdeling slaagt het betoog van de Stichting niet en kan de Stichting als overtreder worden aangemerkt. Ook de overige beroepsgronden van de Stichting slagen niet, waardoor het hoger beroep ongegrond is en de bestreden besluiten in stand blijven.